
Praten kan ik wel. En mijmeren. En filosoferen. En overwegen. Enzovoort.
Maar hoe te leven? Al dat gedenk over zin en geloof en het volgen van Jezus, wat betekent dat nou eigenlijk voor de manier waarop ik mijn leven vormgeef, hoe ik mij verhoud tot familie, vrienden en iedereen die op mijn pad komt (of voor wie ik op pad ga)?
Wie, zoals ik, opgegroeid is met een ‘regel-ethiek’ heeft een redelijk eenvoudig verhaal meegekregen: leven als christen is leven naar de regels die God gegeven heeft (en dat liefst natuurlijk van harte, maar ja…). Anderen redeneren omgekeerd: het leven als christen is een leven vanuit spontane liefde (het liefst hou je je daarbij aan de regels, maar ja…). De beide benaderingen schieten ernstig tekort. Want over welke ‘regels’ hebben we het eigenlijk en wie bepaalt die? En hoe beoordeel je of iets daadwerkelijk uit liefde gebeurt?
Deze benaderingen gaan voorbij aan een belangrijke vraag, misschien wel de oervraag van het menselijke bestaan: waarom (waartoe) zijn we er?
Het antwoord (impliciet of expliciet) op deze vraag bepaalt de ethiek. In ieder geval de christelijke ethiek. En het is bij deze vraag dat N.T. Wright zijn uitgangspunt neemt in After You Believe. Why Christian Character Matters. En het maakt nogal wat uit of je meent dat we er zijn om zo veel mogelijk van het goede te genieten of ons juist zo heilig mogelijk te gedragen tot we in de hemel komen (ik denk dat optie 1 dichter in de buurt komt van het christelijke verhaal, maar dat terzijde).
Voor de eerste christenen stond hun hele leven in het teken van het ‘Koninkrijk van God’: de toekomst van de wereld zoals God die in gedachten had: een wereld waar het recht heerst, waar de onderdrukten bevrijd worden, de zwakken beschermd. Een wereld waar een mens weer de mens kan zijn zoals hij bedoeld is. En alles wat christenen doen, is zich voorbereiden op die toekomst. Nu zo leven, alsof die toekomst er al is.
Daarvoor heb je regels nodig (als oefenmateriaal), daarvoor heb spontane liefde nodig (om je in gang te zetten), maar vooral een karakter dat uitgroeit boven regels en spontaniteit, een karakter dat gekenmerkt wordt door….
Nee, dat kan ik niet schrijven. Maar het moet, want Wright zegt het en ik ben het er nog ergens mee eens ook, maar ik krijg het simpelweg niet uit mijn strot. Nou vooruit dan maar, wie had ooit gedacht dat ik een blog met dat woord zou eindigen:
… een karakter dat gekenmerkt wordt door… deugdzaamheid…
Ach, in het Engels valt het alleszins mee: “virtue”.
‘A virtuous character’. Zou dat in het Engels niet net zo irritant klinken?
Komen de twee door jou genoemde opties niet bij elkaar wanneer we God genieten (Piper)?
Ik merk dat als ik dat doe (in liefde, volgens regels of door wat dan ook – daar denk ik dan helemaal niet over na, zoals het ook niet vreugdeverhogend of wenselijk is om tijdens zoenen over zoenen na te denken) het idee heb dat ik het goede leven leef.
@David. Ik ken het werk van Piper niet goed genoeg om dat te beoordelen. Maar ik heb toch niet zoveel met het idee van christelijk hedonisme. Volgens mij is dat ver verwijderd van de insteek van Jezus, maar misschien moet ik Piper eens gaan lezen…