Angst en woede zijn de emoties van het verzet.
Daarom zijn het ook van die complexe emoties, anders dan verdriet en blijdschap. Dat zijn emoties van acceptatie, van aanvaarding. Wie in gevecht gaat, put daarom uit angst of woede. Ze verlenen kracht. Ze zetten de spieren op spanning. Ze geven een focus op zelfbehoud.
Angst is van beide de meest eenzame. Wie bang is duwt de ander weg, maar is ook in gevecht met zichzelf. Angst is een intern gevecht, met dikwijls alleen een verliezer.
Over Jakob, de oervader van de Joden, wordt verteld dat hij op een dag doodsbang werd. Hij had er reden voor. Ooit was hij weggevlucht voor zijn broer, Esau, die gezworen had hem te zullen doden. Na een aantal jaren keert hij terug en hoort hij hoe zijn broer met een klein leger op hem af komt. De vluchtweg is afgesloten. Nog maar een paar uur en Esau zal er zijn. Het eind lijkt nabij voor Jakob en zijn jonge gezin.
In zijn angst dwaalt Jakob eenzaam langs een rivier. En dan, in het holst van de nacht, begint er ‘iemand’ met hem te vechten. Het blijft aanvankelijk onduidelijk wie ‘die ander’ is. Later lijkt het een engel. Weer later noemt Jakob hem God. Volgens mij laat het verhaal dit bewust zo vaag. Want met wie vecht iemand als hij vecht met zichzelf? En met wie vecht je eigenlijk, als je strijd levert met God?
Na een leven lang liegen en bedriegen is Jakob eindelijk het gevecht met zichzelf aangegaan. En God vecht met hem mee. En onverwacht stapt Jakob als winnaar uit de strijd. Gehavend, dat wel.
Angst en woede zouden wel eens betere ingangen tot God kunnen zijn dan velen vermoeden. Die dwaze God, die het altijd anders wil dan ik bedacht had, vraagt niet allereerst om gelovige aanvaarding. Hij vraagt om woedend en angstig verzet. En langs die weg zal ik het van hem winnen, en mezelf vinden.

Mooi,, Martijn!
Mooi stuk Martijn.