Dwaze vader (2): God

DM

Buenos Aires, Argentinië. 30 april 1977

Zwijgend liepen ze over het plein, de veertien vrouwen.
Zwijgend, omdat toch niemand naar hen wilde luisteren.
Zwijgend keerden ze terug, de week erna. En week daarna. En de week daarna.

Men wist wat zij zonder woorden vroegen: ´regering, waar is mijn zoon? Jullie hebben hem meegenomen en ik heb niets meer van hem gehoord. Waar zijn onze zonen?´ Week in week uit, jaar in jaar uit. De junta luisterde niet. En noemde hen spottend: ´dwaze moeders´. Gek geworden door het verdriet over hun vermiste kinderen.

God is een dwaze moeder.

Wacht, zeg je. Hij is toch verheven en groot en machtig, zoals God is, zeg maar? Dat klopt ook. Dat is wat Maria zingt als ze zwanger is: ‘de Allerhoogste heeft zich mijn lot aangetrokken.’ Dat is hoe Jozef God kende. Degene met wie niet te spotten valt.

En toch is God een dwaze moeder. Hij raakte zijn kind kwijt. Ze hebben hem meegenomen.

Maar wie doet dat dan ook? Je zoon in handen geven van mensen. Ja, dan raak je hem kwijt, dwaze vader. Wat bezielde hem? Hij had maar één zoon. Eén echte. En die levert hij uit aan Maria, aan Jozef en aan de andere mensen. En die andere mensen sloegen hem uiteindelijk dood. Zo zijn mensen, en zo gaan ze om met God als ze de kans krijgen.

Waarom zo dwaas?  Omdat God niet van mensen vraagt wat hij zelf weigert.
Jozef: sta op. Geef je eigen ambities op. Verlies je trots en eigenwaarde. En omarm je onechte kind.

Zo staat God de dwaze Vader op. Hij verliest zijn eigen ambities.
Zijn trots, zijn eigenwaarde. Zijn eigen kind En omarmt zijn onechte kinderen.

Durf jij dat,  God?
Doe je dat, dwaze vader?
Omarm je mij? Je onechte kind?

Comments are closed.